Misverstand Webrichtlijnen in De Volkskrant

Gister ochtend zat ik rond een uur of zeven in de trein naar Den Haag, rustig De Volkskrant te lezen. Heerlijk vind ik dat, zo rustig het nieuws van gister (en in dit geval ook van zondag) door te nemen.

Kom ik aan op pagina 6, staat er een vetgedrukt artikel met de kop “Gemeentesite moet drempelvrij“. Nu werk ik bij het project Webrichtlijnen bij ICTU, dus ik dacht gelijk ‘Wat goed! Eindelijk goede gratis publiciteit!‘. Alhoewel, nog niet zo lang geleden is er veel onjuiste persaandacht rondom het onderwerp geweest, waarbij verwarring was ontstaan na een brief van Staatssecretaris Bijleveld (BZK) waarin ze aangaf geen wettelijke plicht op toepassing van de webrichtlijnen te leggen. Geheel in lijn met het beleid (en ons eigen standpunt): de lagere overheden hebben eigen verantwoordeelijkheid, en ze hebben zich op 1 december 2008 gecommiteerd aan realisatie van het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening en e-overheid, dus een verplichting is er wel -alleen geen wettelijk mandaat. Misschien dat dat misverstand in dit artikel wordt rechtgezet.

Met goede moed begon ik het artikel te lezen.  Maar al gelijk bij de eerste zin gaat het fout.

De verplichte invoering van richtlijnen voor de toegankelijkheid van overheidswebsites voor burgers met een lichamelijke beperking, gaat gemeenten tientallen miljoenen euro’s kosten.

Het gebeurt vaak dat ‘toegankelijkheid’ wordt verengd tot ‘toegankelijkheid voor mensen met een functiebeperking‘ en zelfs tot ‘toegankelijkheid voor visueel gehandicapten’. Uitgangspunt van het overheidsbeleid is echter dat niemand mag worden buitengesloten van de toegang tot online informatie en dienstverlening van de overheid. Dat uitgangspunt omvat niet alleen mensen met een functiebeperking, maar ook gebruikers van allerhande web-enabled apparaten (zoals mobiele telefoons), besturingssystemen (zoals Linux en het Apple besturingssysteem OSX) en browsers (zoals Firefox, Opera en Safari). Om dat doel te bereiken zijn enkel de minimale toegankelijkheidseisen niet toereikend.
De bewering ‘gaat gemeenten tientallen miljoenen euro’s kosten‘ wordt niet onderbouwd en is dus niet verifieerbaar.
Met toepassing van de Webrichtlijnen wordt ingezet op nieuw te bouwen websites, waarbij er vanuit wordt gegaan dat de economische levensduur van een (versie van een) website tussen 3 en 5 jaar ligt. Of het goedkoper of juist duurder is heeft niet alleen betrekking op de fase van bouw van een website. Het gaat over de totale kosten en het rendement op de investering. Het stellen van duidelijke eisen vooraf, in combinatie en er op toezien dat ook daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan die eisen is een probaat middel om een project om het project en de projectkosten in de hand te kunnen houden. Het stellen van kwaliteitseisen, wat dat zijn de webrichtlijnen immers, kost geld, maar het niet stellen van dergelijke eisen blijkt vaak uiteindelijk nog meer te kosten. De belangrijkste risico’s die succes in de weg staan zijn het vermogen van opdrachtgevers om adequaat sturing te geven en het gebrek aan kennis en kunde van opdrachtnemers om vooraf overeengekomen afspraken na te komen.

De Volkskrant  haalt vervolgens een gespecialiseerde websitebouwer erbij, ene Donald Hessing van VX Company. Dit verbaasde me, want ik ken inmiddels aardig wat (namen van) webrichtlijnen experts, maar meneer Hessing is nog nooit op mijn radar gesignaleerd. Maar dat zegt wellicht meer over mijn radar dan over meneer Hessing. Dus ik ging direct op onderzoek uit.

VX Company is  een IT dienstverlener:

Dagelijks werken onze IT-professionals aan de ontwikkeling, integratie, testen en het beheer van applicaties en infrastructuren die cruciaal zijn voor de bedrijfsvoering van onze opdrachtgevers. We bestaan sinds 1988, onze standplaats is Baarn en we tellen 275 mensen.
VX Company biedt een breed pakket diensten aan; van full service projecten, detachering tot beheer op basis van een SLA. [bron]

Zij specialiseren zich in Miscrosoft, ORacle en Java applicaties -let op het aantal keren dat de term web in bovenstaande voor is gekomen. Precies: nul keer. Dan kijken we snel naar hun referenties:

Onze referenties

› Agendia (remote beheer)
› Athlon (Unix integratie)
› BCT Guiding Documents (Test consultancy)
› Blauwhoed (remote beheer)
› CFI (migratie Oracle 10g)
› CIV (applicatie integratie)
› Cordares (Java ontwikkeling)
› CvdM (.NET ontwikkeling)
› De Lage Landen (Unix beheer)
› Gemeente Den Haag (.NET ontwikkeling)
› Groothandel (.NET consultancy)
› Imation (Java portaal)
› Interpolis (applicatie integratie)
› Intraffic (Test services)
› Ministerie van Financiën (Oracle ontwikkeling)
› Morgan Stanley (Java consultancy)
› Oasen (Unified Comm.)
› Oasen (migratie Oracle 10g)
› Oasen (Oracle consultancy)
› Organon (migratie Oracle 10g)
› Slokker Bouwgroep (remote beheer)
› Soweto (Java ontwikkeling)
› Staatsloterij (OpenVMS beheer)
› Stichting Woonbedrijf (.NET portaal)
› Stichting Woonbedrijf (mobiele oplossing)
› Technische Unie (.NET portaal)
› Thales Nederland (Charon-VAX)
› UWV (Java ontwikkeling)
› VVAA (applicatie integratie)
› Zorg en Zekerheid (Oracle portaal) [bron]

Ik zie alleen .NET ontwikkeling staan bij gemeente Den Haag, meer referenties op het gebied van gemeentelijke ervaring zie ik zo snel niet. Ook hier kan ik het fout hebben uiteraard! Dan maar kijken of Donald Hessing een parel tussen de knikkers blijkt te zijn:

Donald Hessing is architect en technisch teamleider bij de unit Microsoft .NET System Development van VX Company IT Services BV. [bron]

Mijn ervaring is dat architecten en back-end ontwikkelaars  niet de mensen zijn waarmee we de standaarden oorlog gaan winnen, maar wie weet heb ik het wel fout -het kan, ondanks alle signalen die het tegendeel lijken te roepen.

Zijn LinkedIn profiel geeft echter ook geen zicht op zijn expertise en ervaring met het toepassen van de webrichtlijnen bij gemeenten. Helaas.

Terug naar het artikel.

“De benodigde ingrepen zijn volgens Hessing zo groot dat veel redactiesystemen voor websites aangepast moeten worden. Doordat veel gemeenten hun eigen redactiesysteem hebben, moeten die volgens Hessing afzonderlijk worden aangepakt.”

Het grootste deel van de gemeenten, waterschappen en provincies maakt gebruik van redactiesystemen van een beperkt aantal leveranciers. Er is inderdaad geen standaardoplossing, zoals Hessing stelt, maar evenmin van een enorme diversiteit, zoals wordt gesuggereerd.
En het wordt nog mooier.

“De richtlijnen sluiten het gebruik van veel moderne technieken uit, zoals Flash, dat gebruikt wordt voor het tonen van animaties of video. ‘Als Ik bijvoorbeeld als Defensie een aardige campagne heb op tv en die wil ik een vervolg geven op mijn homepage, kom ik al in de problemen’, zegt Hessing.”

Dit is een bekende fabel. Wie dit stelt diskwalificeert zichzelf als deskundige. Het meest bekende bewijs dat de stelling van Hessing niet waar is, is de oplossing die in het kader van een rijksoverheidsvideoproject is gerealiseerd. De gebruikte videoplayer maakt gebruik van Flash en van verschillende terugvalopties als Flash niet beschikbaar is. ‘Moderne technieken’ (wat dat ook moge zijn; de meeste van die technieken bestaan al jaren…) kunnen wel degelijk worden gebruikt; er worden alleen wel eisen gesteld aan de manier waarop.

“Hessing schat dat de kosten voor de aanpassingen kunnen oplopen tot 10 miljoen euro. ‘Maar ook waterschappen en politiekorpsen moeten aan de slag’, stelt Hessing.”

Het geschatte bedrag zou zomaar kunnen kloppen als geen ter zake deskundige partijen worden ingehuurd om webbouwprojecten uit te voeren. Belangrijke oorzaak daarvan is in de praktijk, dat voor het maken van de
webinterface geen specialisten worden ingezet, de functienaam daarvoor is web front-end developer, maar het erbij gedaan wordt door back-end developers of grafisch vormgevers. Dat het vak van web front-end development als zodanig onvoldoende wordt erkend is een van de oorzaken waarom nog steeds suboptimale websites worden gebouwd.

Tenslotte wordt nog een kamerlid aangehaald, maar daar zal ik hier niets over zeggen 😉

Oerigens zijn de opmerkingen over de teksten van mijn collega Raph de Rooij, hier en daar wat aangevuld met mijn eigen opmerkingen.

Inmiddels hebben andere media het artikel overgenomen: Digitaal Bestuur twitterde vanmorgen over hun artikel “Webrichtlijnen dure grap voor gemeenten“. Inmiddels is de kop aangepast, maar in de URL zie je de originele titel nog.

En ook Communicatie Online neemt het bericht zonder controle over: “Drempelvrije gemeente is kostbaar“. Kennelijk is 10 miljoen niet genoeg om de leden van Communicatie Online (is van Adformatie, onderdeel van Kluwer) te boeien, want de kosten zijn in dat artikel alweer verhoogd naar “tientallen miljoenen euro’s”.

Zo zie je maar hoe makkelijk een snel en makkelijk artikel uit kan lopen tot een onwaarheid die waarheid wordt. Mijn werk is er niet makkelijker op geworden, dit moet ik allemaal weer recht gaan zetten…

13 gedachten over “Misverstand Webrichtlijnen in De Volkskrant”

  1. Inderdaad een nogal FUD artikel, weinig onderbouwd, wel sensatie. Hoewel ik inderdaad in het begin ook wel moeite had met het verschil tussen verplicht, afgesproken en wettelijk verplicht. in feite is het verschil daartussen overheidsjargon.

    Wat naar mijn idee vaak gebeurd is dat iemand bij de krant ‘iemand kent die iets met websites doet’ en die persoon wordt dan als expert in een artikel verwerkt. Maar laten we maar niet over de kwaliteit van de journalistiek in Nederland beginnen.

  2. De ‘bron’ van het bericht dat het gemeenten tientallen miljoenen gaat kosten is dan wel geen ‘gespecialiseerde websitebouwer’, maar wel een specialist op het gebied van Silverlight. Dat is een proprietary technologie. Gebruik van dergelijke technologieën is in de Webrichtlijnen wel toegestaan, maar afhankelijkheid ervan niet. En dat maakt het wat ingewikkelder om Silverlight te gebruiken en daarmee aan de Webrichtlijnen te voldoen. Dat _kan_ een reden zijn om de Webrichtlijnen als geheel af te wijzen, want die schrijft het gebruik van open standaarden voor.
    Het onderscheid tussen open en niet-open (en gesloten) standaarden wordt lang niet door iedereen begrepen of belangrijk gevonden. Toch is er sprake van een fundamenteel verschil, dat te maken heeft met keuzevrijheid, kosten en het voorkomen van afhankelijkheid van technologie-verkopers en (bijna)-monopolisten. Het overheidsbeleid met betrekking tot open standaarden heeft in belangrijke mate te maken met het voorkomen van ‘vendor lock-ins’ en het waarborgen van de keuzevrijheid. Dat zijn heel valide uitgangspunten voor een overheid.

    http://www.w3.org/TR/html5/introduction.html#relationship-to-flash-silverlight-xul-and-similar-proprietary-languages is een document dat deel uitmaakt van de nieuwe HTML5 specificatie. Daarin wordt het verschil tussen open en gesloten webstandaarden als volgt verwoord:

    “This specification is independent of the various proprietary application languages that various vendors provide, but is intended to address many of the same problems.”

    “In contrast with proprietary languages, this specification is intended to define an openly-produced, vendor-neutral language, to be implemented in a broad range of competing products, across a wide range of platforms and devices. This enables developers to write applications that are not limited to one vendor’s implementation or language. Furthermore, while writing applications that target vendor-specific platforms necessarily introduces a cost that application developers and their customers or users will face if they are forced to switch (or desire to switch) to another vendor’s platform, using an openly-produced and vendor neutral language means that application authors can switch vendors with little to no cost.”

    Kilian Valkof, die als eerste reageerde, heeft het over een ‘FUD artikel’. FUD, wat staat voor ‘Fear, Uncertainty, Doubt'[1], is een beproefd middel om dingen die onwelgevallig zijn te diskwalificeren. Het zou best kunnen dat Kilian met zijn opmerking de spijker op zijn kop slaat.
    Probleem met FUD-acties is alleen dat bijna niet te bewijzen valt dat er een spindoctor aan het werk is. En een ander probleem is dat journalisten, ook van gerenommeerde media, lang niet altijd door hebben dat ze voor een karretje worden gespannen. Journalisten die geen wederhoor toepassen zijn hier extra kwetsbaar voor. En dat is wellicht het grootste probleem: allerlei zichzelf serieus nemende media hebben inmiddels een fout bericht klakkeloos overgenomen, zonder zich af te vragen of de inhoud wel klopt. Wat is dan nog de toegevoegde waarde van journalistieke media ten opzichte van de gemiddelde blogger? De rol van ‘betrouwbare bron’ die de journalistiek van oudsher heeft komt daarmee onder druk te staan. En daarmee het vertrouwen in de journalistiek. Jammer.

    PSje:
    Ik beweer niet dat het bij het in deze blog aangehaalde artikel sprake is geweest van spindocteren. Wel ben ik van mening dat een medewerker van een gerenommeerd dagblad – en in zijn kielzog tal van andere media – een als feit gepresenteerde mening niet hebben gecontroleerd. Daarmee hebben traditionele media en internetmedia mijn vertrouwen in de (werking van de) journalistiek geen dienst bewezen.

    [1] zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Fear,_uncertainty_and_doubt

  3. “Don’t shoot the piano player” , in dit geval de redacteur. En hoe paradoxaal, het onderwerp redactie komt in veel discussies over de webrichtlijnen nog te weinig aan de orde. En dat is natuurlijk jammer, maar wat dat betreft is er hoop : http://www.frankwatching.com/archive/2009/03/06/wat-redacteuren-over-webrichtlijnen-moeten-weten

    Natuurlijk moet je je voor een goede onderbouwing op meerdere bronnen laten baseren en het onderwerp van meerde kanten weten te belichten. Dat is wat een journalist een redacteur maakt, andersom ben je als redacteur niet zomaar een journalist. En daar mag je best kitsch op zijn. Gelukkig heeft de Volkskrant een e-mail adres waar je – gratis – kan reageren.

    Kosten
    Maar heeft de auteur van het artikel het bij het rechte eind? Dat zal best wel eens het geval kunnen zijn. Als uitgangspunt neem ik de 500 websites van de gemeenten. Laten we het opsplitsen in techniek, de implementatie in de bestaande contentmanagment systemen. En inhoud, redacteur met voldoende kwaliteit (http://www.popolo.nl/de-maatschappelijk-werker-mij) die de richtlijnen door weet te vertalen. Maar aan redactie capaciteit en kwaliteit ontbreekt het bij veel gemeenten, internet doet men er in veel gevallen ‘eventjes’ bij.

    Laten we elke burgervader of burgermoeder blij maken men een halve fte voor webredactie, 250 fte’n. Met een middensom salaris – bruto,pensioen, ziektekosten enz – van pakweg 80.000 per jaar. Dat komt op 20 miljoen per jaar. Dan de techniek, veel gemeenten zijn nu met een inhaal slag bezig om inwoners en ondernemers beter digitaal van dienst te kunnen zijn. Mooi moment om ook de webrichtlijnen gelijk mee te nemen, laten we zeggen 200 uur extra per website met een gemiddelde uurprijs van 120 euro. Dat komt op 24.000 euro per gemeente, totaal 12 miljoen euro.

    2010?
    Kort om, als je alleen al kijkt naar de techniek is het woord tiental al te rechtvaardigen. Er kan het nodige af door samen te werken, maar met 13 Haagse departementen is dat een hele toer, laat staan met 499 ‘eilandjes’ ten oosten van Voorburg.

  4. Wat een geweldige post. Zonde om te zien hoeveel moeite journalisten nog doen om hun verhaal op feiten te checken.
    En zo moeilijk moet het toch niet zijn om als journalist een expert te kunnen vinden, want zelfs ik ken zelfs webrichtli­j­nen experts – ik noem een Koen Willems, ik noem een Raph de Rooij.
    Al is dat ook niet helemaal eerlijk, aangezien ik het genoegen heb mogen hebben om als front end developer aan het project http://wetten.overheid.nl te mogen samenwerken met Koen Willems. 😉

    Maar om een kort verhaal nog langer te maken: Don­ald Hes­s­ing van VX Com­pany… NOOIT VAN GEHOORD!

Geef een reactie